Papiermolen Pieter Jansz van der Ley

In Zaandijk stond al vroeg de papieremolen van Pieter Jansz (Stijfselmaker of Van der Ley) aan weg en Zaan tegenover de huidige Beeldentuin.

De eerste papiermolen de Zaanstreek werd al voor 1605 in Zaandijk gebouwd. De Zaandijker molen kreeg nooit een naam. Hij dook op 8 maart 1605 op bij een transactie tussen Pieter Jansz en Ariaen Gerritsz. uit Purmerend. Pieter Jansz tekende toen een schuldbekentenis die door schout en schepenen van de Banne Westzaan werd geregistreerd in de veilboeken. Het ging om een bedrag van 1500 gulden met een jaarlijkse losrente van 93 gulden en 15 stuivers. Dit was een hoge rente van liefst 6,25 procent!
Al voor 1605 had Pieter Jansz de papiermolen in Zaandijk laten bouwen. Dat blijkt uit de schuldbekentenis en het onderpand dat hij voor de lening van 1.500 gulden gaf en die in de transportregisters van de Banne Westzaan werd geregistreerd: ‘Een stuck land omtrent maetslant vier campen van de Saendijck leggende agter Jan Eggeses in de Middel, belent ten suydsyde Gerrit Dirckxs ende aen de noortsyde Henric Dirckxs, noch ’t huys ende erff daer hij comparant jegenwoordigh op ende inwoont mette pampiermoole ende sijn erff leggende opt Saendijck met ’t gereetschap daartoe behorende.’

Op ’t Saendijck betekende dat de molen aan de dijk aan de Zaan stond. Het land, waarvoor de lening werd verstrekt, lag tussen Westzaan en Zaandijk. Dat Pieter Jansz zijn molen als onderpand inzette, gaf wel aan dat het om een kleine molen moest gaan. Hoogstwaarschijnlijk was het een standerdmolen, zoals De Kauwer of Grauwe Papierbaal die in 1616 in de Molenbuurt in Zaandam werd gebouwd. 
Pieter Jansz stond bekend onder de naam Stivelesmaecker, maar zijn nazaten gebruikten de familienaam Van der Ley. Pieter was de stamvader van dit geslacht en de grondlegger van de florerende windmolenindustrie in Zaandijk, waar in 1613 overigens nog niet meer dan 50 huizen stonden. Een windbrief van deze molen is nooit gevonden, maar Pieter Jansz ontving op 23 mei 1601 zo’n bouwvergunning van de Grafelijkheidsrekenkamer van de Staten van Holland en West-Friesland voor een olijmolenken in de Banne Westzaan  jegensover ’t Calff.

Henk Voorn (1921 – 2008), uitgever van het vakblad De Papierwereld en mede-oprichter van de Internationale Papierhistorische Vereniging in 1959 (IPH), onderzocht de historie van de Nederlandse papiermolens op wetenschappelijke basis. Hij concludeerde dat de windbrief van 1601 werd gebruikt voor de papiermolen op het buitendijkse erf aan de Zaan. De Zaandijker historicus Gerrit Jan Honig schreef deze windbrief toe aan De Witte of Grauwe Gans, meestal als Zaandijker Oud omschreven. Dit was ook een papiermolen die in deze jaren in Zaandijk werd gebouwd, maar omdat in de windbrief expliciet werd vermeld dat de molen tegenover het Calf stond, hoort hij ongetwijfeld bij de papiermolen van Pieter Jansz, want De Witte Gans stond binnendijks één camp van die Saendijck en dat was dus niet tegenover het Calf.

Pieter Jansz overleed in 1619. Op 22 mei van dat jaar werd een weeskameracte opgemaakt, waarin werd vastgelegd dat zijn weduwe Griet Jans en zijn kinderen Arian, Jan, Gerrit, Neel, Aris, Jonge Arian en Grietje waren overeengekomen dat de boedel ongescheiden bleef tot nader opzegging. Aangezien Arian en Jan Pietersz al volwassen waren kregen zij een vaderlijk erfdeel van 500 gulden plus een bed. Een zelfde erfdeel werd toegezegd aan de vijf andere kinderen die dat zouden ontvangen zodra zij meerderjarig waren. Zij werden allemaal door voogden vertegenwoordigd. Uit deze acte toont aan dat Pieter Jansz bij zijn overlijden behoorlijk welgesteld was.  Uit de omrekeningstabel van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis  in Amsterdam blijkt dat 500 gulden toen overeenkomst met een kapitaal van 8204 euro nu. Deze tabel is gebaseerd op de kosten van dagelijks levensonderhoud.
Over de molen werden geen mededelingen gedaan, maar op 13 april 1618 verkocht Pieter Gerritsz uit Zaandijk een erfje belend ten zuiden door Pieter Jacobsz en ten noorden door de papiermolen. De koper was Jan  Pietersz die hier een huis zou laten bouwen. Hij werd niet oud, want in 1626 was hij overleden, terwijl hij vermoedelijk rond 1595 als tweede kind van Pieter Jansz en Griet Jans werd geboren. In 1626 begonnen Dirrick Gerritsz  Langedijck en Hendrick Rosa, geadmitteerde landmeters van de Hove van Holland, met de metingen voor een kaart van alle buitendijkse erven langs de Zaan die in 1627 werd uitgegeven. Zij werkten dus voor het hoogste rechtscollege van Holland en hadden de opdracht ongetwijfeld gekregen in verband met de op handen zijnde droogmakerijen, waardoor de Zaan extra belast zou worden door de afwatering van de nieuwe polders. Zij tekenden de papiermolen ter hoogte van het huidige Weeshuispad. Er stond ook een huis op het grote erf. Als belendingen gaf de landmeter op: ten zuiden van de erfgenamen van Jan Pietersoon Stijvselemaecker en ten noorden van Simon Willemsoon weduwe. Langedijck en Rosa deden hun opmetingen vanaf juni 1626 en zij noteerden alle eigenaren van de erven. Bij de molen in Zaandijk meldden zij de erfgenamen van Jan Pietersz Stijvselemaecker.
Deze belendingen kwamen overeen met die van het molenonderpand dat vader Pieter Jansz op 8 maart 1605 had gegeven bij zijn landaankoop. De belendingen waren toen Pieter Jacobsz aan de zuidzijde  – deze woonde in 1626 dus nog op dezelfde plek naast het erf van erfgenamen  – en Symon Willemsz, die in ’26 ook al was overleden, maar zijn weduwe woonde toen nog steeds ten noorden van de molen.
Pieter Jansz was de grondlegger van de Zaandijker molenindustrie. Zijn zoons zouden later de familienaam Van der Ley gaan gebruiken. Hijzelf tekende in 1597 nog met een huismerk, dat later ook als watermerk in het papier van Van der Ley opdook. Hij had meer potjes op het vuur. Zo was hij eigenaar van de eerste Zaanse verfmolen, waar hout uit Brazilië werd vermalen. Dit was de zgn Braziliemolen in Zaandijk, die uiteindelijk moest worden gesloopt na een hardnekkig en verloren gevecht over het monopolie op het breken van verfhout met de regenten van het Amsterdamse rasphuis, zoals de gevangenis toen werd genoemd. 

De papiermolen van Pieter Jansz werd ook na zijn dood nog diverse keren genoemd. In het maatboek komt hij in 1628 voor op naam van zijn zoon Aerjen Pietersz ‘met sijn pampiermolen, erf en huis ’t samen 144 roeden.’ Vier jaar later worden zijn broers Gerrit Pietersz en Aris Pietersz ook genoemd als er parten in de molen worden verkocht: ‘Gerret Pietersz wonende op te Saendijck verkoopt aan Aris Pietersz meede buyerman aldaer een seste part van een persely-molen & erv leggende & staende op te Saendijck. Noch een seste part van een pampiermoolen & erv leggende & staende op te Saendijck.’
De persely-molen was de Braziliemolen die binnendijks aan de Zaan stond ter hoogte van de huidige beeldentuin. De parten werden voor 1500 gulden verkocht. Gerrit Pietersz bediende zich van de familienaam Noom, waarmee een uitgestorven familietak werd vereerd. Dat gebruik zou nog ruim een eeuw in zwang blijven in de Zaanstreek. Gerrit Noom zou in 1674 overlijden. Op 17 juli werd hij begraven, maar in zijn laatste levensjaar legde hij nog de basis voor de witpapierindustrie die in Zaandijk een hoge vlucht zou nemen.
Op 9 oktober 1636 werd de laatst bekende acte over de papiermolen zonder naam opgemaakt. Aeriaen Pietersz verkocht toen een zesde part in de molen aan Cornelis Jansz die ook in Zaandijk woonde. Het part bracht toen nog maar 325 gulden op. De broers Van der Ley woonden nog steeds bij de molen. Aerian Pietersz aan de noordkant en Gerrit Noom aan de zuidzijde.
De eerste papiermolen, die in de Zaanstreek, zijn wieken zwaaide verdween na 1636 spoorloos. De prijs van het molenpart, dat dat jaar verhandeld werd, duidde al op sterke terugval van de waarde. Vier jaar eerder werd immers nog meer dan honderd procent meer betaald voor een zesde molen part, zodat de papiermolen in 1632 nog op 4500 gulden werd getaxeerd, terwijl de waarde in 1636 was terug gevallen tot NLG 1950,-!
Wat voor type molen het was is ook nooit gevonden, maar vermoedelijk ging het om een standerdmolen.

Bron: Ron Couwenhoven